Memento vivere

De verhouding ‘geloof en leven’

De bekende spreuk van Paulus “De rechtvaardige zal door het geloof leven” is eigenlijk niet van Paulus, maar van de profeet Habakuk (2:4). Waar wij het beladen woord ‘geloof’ horen, staat het Hebreeuwse woord ‘èmoenah’, dat eerst en vooral ‘vertrouwen’ betekent. Paulus was een Jood. Hij citeert dit vers 2x: Romeinen 1:17, Galaten 3:11.
Los daarvan: in deze uitspraak is het geloofsvertrouwen het middel en het leven het doel. In de uitleg en toepassing van dit woord zijn de rollen vaak omgedraaid. Ik herinner me uit mijn jeugd vooral preken die mij probeerden duidelijk dat ik geloven moest (en wàt precies wel, wàt zeker niet). Ik herinner me niet dat dit werd verduidelijkt door een link te leggen hoe zulk een geloof dit leven vooruit zou helpen in kwaliteit. Over dit leven ging het bijna nooit, en als het al aan bod kwam, dan bijna enkel in moralistische vorm, d.w.z. in de vorm van waarschuwingen, in verband met het laatste oordeel. Mijn ziel en zaligheid hing blijkbaar niet af van hoe ik leefde, maar van wat ik geloofde.

BIj Luther nog wel. Doordat hij dit woord op zich liet inwerken, is hij tot een religieuz morele ontspanning gekomen. goed/kwaad: dat liet hij voortaan aan God over. Hij moest vooral zien dat hij lééfde als schepsel van de goede God, als diens adoptief ‘kind’ (aangenomen middels het geloofsvertrouwen diens Zoon Jezus, ook wel de ‘Christus’ genaamd, in hem heeft gewerkt). Zo had hij zìn in het leven gekregen…, zoveel zelf dat hij – natuurlijk – te gelegener tijd ook het klooster heeft verlaten, het gewone menselijke leven is ingetrokken, we hem enige jaren laten ook met vrouw èn kinderen aantreffen. Er komt een enorme hoeveelheid levensenergie vrij, als je de zorg voor je eigen leven, je eigen status voor de mensen èn voor God achter je kunt werpen. Er komt een enorme hoeveel­heid levenszin te voorschijn als je gewoon van ‘genade’ durft te leven. Al die energie die dan vrijkomt, komt vrij voor het léven, dit leven, het medemenselijk leven in Gods schepping, met de mensen en de dingen om je heen.

De lijfspreuk van Luther is niet de tekst uit de Romeinenbrief geworden, maar het psalmwoord uit de 118de psalm.

Ik zal niet sterven, maar leven. (Non moriar, sed vivam)

En dan bedoelt Luther zowel het eeuwige als het tijdelijke leven. En het is deze uitroep van de psalmist, die het meest duidelijk de hartstocht, de emotie, die achter de Reformatie schuilt, aan het licht brengt. Sterven, dat leek het enige wat er op zat voor Luther. Eeuwige dood zelfs, maar ook gewoon: sterven, aflopende zaak, afgelopen! ­Heel vaak heeft hij ernaar verlangt, om eraf te zijn, wanhopig, bijna op het suïcidale af. Zelfs later nog, al volop wandelend in het licht van de genade, bleef hij last hebben van aanvallen van depressiviteit, van een diepe ‘melancholie’ (zo noemde men dat toen). Maar het evangeliewoord, soms door de Schrift gebracht, soms door een vriend verkondigd, soms door zijn vrouw gepersonifieerd, door het zonlicht gesymboliseerd, of door een roos, een kinderstem, een muziekstuk… bepaalde hem altijd weer terug bij Gods vrolijke en levenbrengende initiatieven om hem te doen léven. Gaven hem de ‘èmoenah’ (het geloofsvertrouwen) terug, om te leven, hier en nu, en in eeuwigheid.

Ik zal niet sterven, maar leven èn Gods werken verkondigen… Soli Deo gloria. Amen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *