Hoe werd in de de tijd van Bach over Petrus’ verloochening en zijn ‘bittere tranen’ gepreekt ? Hier een fragment uit de 4de lijdenspreek van Heinrich Müller uit Evangelischer Herzensspiegel, prekenbundel-bestseller uit 1679 (talloze malen hedrukt tot in de late 19de eeuw). Bach had ook een exemplaar in zijn bibliotheek staan.1
Müller evoceert in die preken het verhaal, vers voor vers. We vallen erin als Petrus Jezus al 2x heeft verloochend. Een dienstmaagd legt ‘m voor de derde keer het vuur aan de schenen: Gij zijt ook één van hen… (Mattheüs 26:73vv).

“.. Toen begon Petrus zich te vervloeken en te zweren: ‘Ik ken de mens niet van wie u spreekt.’ Ongetwijfeld heeft hij zichzelf vervloekt met die algemene joodse spreuk: ‘God snijde mij af van de gemeenschap der heiligen, indien ik die mens ken! God dode en verdoeme mij, indien ik hem ken.’ Dat is geen kleine zonde geweest. De apostel Petrus is duidelijk helemaal van zijn geloof gevallen, heeft z’n goede geweten verspeeld, Christus verloochend, en de dood verdiend […]
Maar de Heer wilde niet dat Petrus in zo’n ellende zou blijven steken. Daarom draaide Hij zich om, blikte vanuit de hoge zaal naar beneden — door een venster, of een geopende deur in het paleis van de hogepriester — en wierp Petrus een vriendelijke blik toe (“gab Petro ein freundliches Auge”), en zag hem aan. Deze blik van de Heiland, die was als de zon. Ze verwarmde Petrus’ ijskoude hart. Deze blik blaast het welhaast gedoofde geloofsvlammetje weer aan. Met deze blik heeft Christus aldus tot het hart van Petrus gesproken: ‘Ach, Petrus, wat heb je toch gedaan? Denk toch aan die bliksemschicht die ik heb afgeschoten tegen hen die Mij verloochenen: Wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn hemelse Vader. Maar wie Mij zal verloochenen voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn hemelse Vader (Matth. 10:32-33). Jij hebt gezegd: ‘Ik ken Hem niet.’ Wat als ik op de Jongste Dag ook zou zeggen: ‘Ik ken u niet’? Maar wees onversaagd, nog staat de deur der genade voor u open. Ik, die de zonde van alle mensen boet, boet ook voor de zonde die jij zojuist begaan hebt. Kijk naar mij, het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt. Kijk naar mij, de goede Herder, die u weer zoekt als gij verloren zijt. Kijk naar mij, mijn zoon, en geef mìj uw hart.’
Hier begint het ijzige hart in het lichaam van Petrus te smelten, te golven, te wenen. Want toen de Heer hem aankeek, gedacht Petrus het woord van Jezus, toen Hij gezegd had: Eer de haan tweemaal kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. Petrus stort in, en komt tot inkeer (“Petrus schlägt in sich“), en denkt: Ach, wat heb ik gedaan? O onzalige voet! O leugenachtige tong! O hart, wat was je verblind! Noem je dat ‘met Christus sterven’?2 Geen beul heeft me gemarteld of gekraakt, en toch laat ik u zomaar vallen, ja, heb ik u verloochend, Jezus, mijn Meester, mijn Heer.
Wee mij, ik verga, terecht is uw toorn! Het hele helle-huis stort zich op mij wil mij verslinden.
Wo soll ich fliehen hin,
Weil ich beschweret bin
Mit viel und grossen Sünden?
Wo soll ich Rettung finden?
Wenn alle Welt herkäme,
Mein Angst sie nicht wegnähme.
Waarheen nog vluchten 3
Mijn ziel is bezwaard
belast met grote zonden
Waar nog redding vinden?
Al stonden allen mij bij,
blijft nog mijn angst nabij.
… O, hart, houd moed, wees onversaagd! Daar is de Heer, hij ziet mij aan, en zijn blik is vol genade. Had hij niet gezegd: ‘Petrus, Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou ophouden.’ Ook nu draagt Hij mijn zonde weg, zoals Hij aller mensen zonde draagt.
O Jesu voller Gnad,
Auff dein Gebot und Rath,
Kommt mein betrübt Gemüthe,
Zu deiner grossen Güte,
Laß du auff mein Gewissen
Ein Gnaden-Tröpflein fliessen.
Ich dein betrübtes Kind,
Werff alle meine Sünd,
So viel ihr in mir stecken,
Und mich so hefftig schrecken,
In deine tieffe Wunden,
Da ich stets Heyl gefunden.
O Jezus, vol genade,
‘t was uw gebod en raad
om met mijn droef gemoed
tot U, algoede, zich te wenden,
Laat nu op mijn geweten
één dropje genade vallen
Ik ben uw droevig kind
en werp heel mijn schuld
met alles wat diep in mij steekt
en mij hevig doet schrikken
in uw diepe wonden,
waar ik altijd redding heb gevonden.
Ach, mijn hart, als ge bekeerd moet worden, zal Jezus zelf het voornaamste (“das Beste”) moeten doen: een blik in uw hart werpen. Een schrikwekkende toorn-blik komt uit de Wet; een verkwikkende genade-blik uit het Evangelie4. Als de zon een warme blik werpt op het ijs dat uw hart verkilt, dan smelt het. Zijn genadeblik is een vurige liefdesgloed (“Feuers-Brunst”) die het hart in vuur en vlam zet. Het ijs mag in boetetranen wegsmelten. De Heiland moet het voornaamste doen, en heeft het ook gedaan bij het kraaien van de haan. Want toen Petrus de haan hoorde kraaien, kwam hij tot inkeer.
Hoor nu, mijn hart, hoe ook God voor u zijn hanen opstelt — zijn wachters en boetepredikers — die u vanuit de Wet de zonde moeten voorhouden, en met de vloek van Mozes op uw ziel moeten indonderen en bliksemen. O ja! Dat doet Hij. Wekt Hij niet zo uw geweten, als waakzame haan, die u opwekt, wakker maakt, angst aanjaagt, overtuigt, en verdoemt? Jazeker doet hij dat. Hoe vaak heeft Hij al niet de kruisvaan uitgestoken, boven uw huis, dat gij tot inkeer zoudt komen, en u bekeren: Daarom, heden, heden, zo gij de stem des Heren hoort, verhardt uw harten niet. (Hebr 3,7-8).
De ogen zijn de vensters van de ziel, het hart . Als de ogen tranen, bloedt het hart in het lijf. Petrus’ tranen waren waarachtige harte-tranen, niet kunstmatig teweeggebracht, ook niet vergoten uit vrouwelijke weemoedigheid. Ze liepen hem de wangen af, en wel dermate dat de ene druppel als het ware de andere sloeg, en ja, Petrus zou echt bloed geweend hebben, ware zulksk mogelijk geweest…
De aria “Erbarme dich ” (Zähren, Wangen, Tropfen zitten dus al in de preek. Zou Picander ook deze tekst binnen handbereik (ogenbereik) gehad hebben, toen hij het libretto schreef? Bach had een exemplaar. Heeft hij Picander getipt? De rest van de preek gaat puntsgewijs nog wat dieper in op Petrus’ verloochening. De heilige Apostel is ons op drie manieren een voorbeeld d.wz. 1. als schrikbeeld 2. als boetebeeld 3. als troostbeeld. De preek mondt uit op deze zin: “laat dan niemand wanhopen in zijn zondigheid. Want de Jezus die Petrus weer in genade heeft aangenomen, zal ook u, mijn hart, in uw boetvaardigheid niet verstoten.“
dixit Heinrich Müller in 1679
Dick Wursten 2026
Het origineel
titelpagina en de betreffende bladzijden uit de 4de passiepreek. Hier de originele Duitse tekst


Extraatje
BWV 646 (uit de zes koraalbewerkingen van Bach, uitgegeven door ‘Schübler’), bevat zes orgelstukken. Het zijn bewerkingen van aria’s uit cantates, ‘t bekendst: Wachet auf ruft uns die Stimme, d.w.z. het tweede couplet: de aria ‘ Zion hört die Wächter singen’, BWV 140. Ook van BWV 646 zegt men altijd dat het uit een verloren gegane cantate moet stammen (NB: BWV 5 heeft dit koraal als thema, maar daar komt dit trio niet voor). Of dat voor ons stuk ook geldt? ‘t is gewoon een mooie triosonate met c.f. in het midden. Er staan twee titels boven : Wo soll ich fliehen hin, (of) Auf meinen lieben Gott. De organist in kwestie legt uit dat hij de tweede titel als antwoord hoort op de eerste vraag. … Mooi, maar de werkelijkheid is prozaïscher: De koraalbewerking lijkt gemaakt met in gedachten het lied Wo soll ich fliehen hin.. (je hoort de buitenste stemmen vluchten…), maar de melodie was in Bach’s tijd vooral bekend met een andere tekst: Auf meinen lieben Gott. Die kan/mag je dus ook ‘horen’. Bach is flexibel en zijn muziek polyvalent.
NOTEN:
- Heinrich Müller, Evangelischer Herzens⸗Spiegel. Geist⸗reiche Erklärung und Betrachtung der Sonn⸗ und Fest⸗täglichen Evangelien, mit auch beygefügten: Passions⸗Predigten (1732)
- verwijzing naar Petrus’ eerdere uitspraak : Matteüs 26:35 “… Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen.”
- Müller citeert hier een bekend koraal Passend is de koraalbewerking
- Luthers’ schematiserende oppositie: de Wet klaagt aan en doet zonde kennen, het Evangelie spreekt vrij en doet genade kennen