De doortocht door het dodenrijk en de verrijzenis van Christus volgens de codex Gisle (ca. 1300)

click to enlarge.
Een kapitaal miniatuurtje
De hierboven afgebeelde, vergulde en met twee miniatuurtekeningen verluchte hoofdletter R (initiaal, of beginkapitaal ) staat in het Graduale (liturgisch gezangboek) van Gisela van Kerssenbrock (of Kersenbroeck). Zij was cantrix in het Cisterciënzerklooster te Rulle, nabij Osnabrück, en blijkens een inscriptie in het boek ook de opdrachtgeefster voor de productie van dit prachtboek (ca. 1300).1 Op deze pagina wordt ze zelf ook afgebeeld (Ja, zoekt u maar… ). De hoofdletter R is van Resurrexi:. U ziet de rest van dit woord in goud geschreven tegen een blauwe achtergrond: “Ik ben opgestaan”. Dit is het eerste woord van de intochtspsalm (Introïtus) van het Paasfeest (Psalm 139:18 Resurrexi et adhuc tecum sum).2 De woorden van deze psalm vullen deze pagina samen met de muziek die erbij hoort (in hoefnagelnotatie). De afbeeldingen in de “R” bevatten een schat aan informatie over hoe men zich de doortocht van Christus doorheen de dood (het dodenrijk) en zijn opstanding voorstelde en vooral: wat dat voor de mensen (in dit geval m.n. voor vrouwen) betekende.3 Zij immers zijn het die dit zangboek hebben gebruikt, en deze woorden van deze pagina gezongen hebben, gebeden, op de Paasmorgen… na een lange nacht van waken.
Terzijde: dodenrijk, hel, hades, limbo ?
De verwijzing naar het dodenrijk, of de hel, moet u in dit verhaal neutraal verstaan: het gaat over de ‘Sheol‘ (Hebreeuws) of de ‘Hades‘ (Grieks, oorspronkelijk de naam van de god/vorst van het dodenrijk). Dit is de plaats waar men zich voorstelde dat de zielen van de overledenen wachtten op de jongste dag. Zij bevindt zich naar algemeen aanvoelen ‘beneden’ (Inferos/inferna in het Latijn). Het dodenrijk is een onderwereld, waarin je afdaalt (dit geldt zowel voor David als Orpheus). Limbo is ook in dit verhaal ook adequaat, met name als u denkt aan de limbus patrorum, het voor-geborchte, het voorste deel van de onneembare burcht die het rijk des doods van onze kant bezien, is. Nog dit : De doortocht door het dodenrijk is in de de officiële tekst van het Nieuwe Testament enkel aan de rand aanwezig. Eerder een marginale glos, maar ze is door de kerk 2 eeuwen later wel verankerd in het Credo: descendit ad inferos, nedergedaald in het dodenrijk / ter helle. Al snel kreeg deze tot de verbeelding sprekende passage de aandacht van christelijke predikers en is zo ook in de liturgie terecht gekomen. Het zijn elementen hieruit die de initiaal invullen.
Twee onderling verbonden afbeeldingen

In het onderste gedeelte van de R zien we het moment dat aan de opstanding voorafgaat, de descensus ad inferos, de nederdaling in het dodenrijk. In het bovenste gedeelte wordt de verrijzenis zelf afgebeeld. De dood beneden, de hemel boven. De bladspiegel weerspiegelt ook ruimtelijk de voorgestelde locaties. Intrigerend is met name de schets van Christus’ aankomst bij de poorten van de hel/het dodenrijk. Met zijn voeten vertrappelt hij de ‘oude vijand’, de satan. Deze voorstelling gaat terug op het paradijsverhaal waar satan nadat hij de mens (Adam/Eva) ten val heeft gebracht van Godswege te horen krijgt: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw nageslacht en het hare; dat zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de hiel vermorzelen.” (Genesis 3,15). Wat zoveel wil zeggen als: Gods tegenstander (de sjaitan) zal het de mensen heel moeilijk maken om op de been te blijven, op weg te blijven, maar uiteindelijk zal hij niet winnen. Het zal hem de kop kosten. U ziet het hier gebeuren: Satan, de slang, inmiddels getransformeerd tot een monster (de draak uit de Apocalyps 10-12) wordt door Christus vertrappeld (inderdaad: z’n kop wordt vermorzeld). Vervolgens worden de poorten van het dodenrijk uit hun hengsels gelicht, zoals ooit Simson deed met de poorten van Gaza. De bijbel associatief, allegorisch lezen, dat was een specialiteit van de Middeleeuwen. De burcht (het voorgeborchte) ligt open. Straks meer hierover. Eerst nog iets over het bovenste luik.
Het bovenste deel (de verrijzenis)
Bovenin de R ziet u Christus verrijzen uit het graf, onder het toeziend oog van God de Vader. De wachters slapen, er is een engel en er is een getuige.

Volgens de banderolles wordt er behoorlijke wat gecommuniceerd tussen hemel en aarde. De engel (rechts) spreekt met de vrouw links (Maria, opstandingsgetuige). En Christus zelf antwoordt op een oproep van God de Vader.
Hier de teksten:
God spreekt vanuit den hoge: Exurge gloria mea (begin van Ps 56:9 – Sta op mijn eer) en Jezus antwoordt met het einde van hetzelfde psalmvers: exurgam diluculo (Ik zal opstaan bij de dageraad) en stapt uit het graf. Het wordt hier tamelijk ‘aards’, rustig afgebeeld. De link tussen dit psalmwoord en de verrijzenis is volgens literair-wetenschappelijke exegeten onbestaand (juist), maar spirituele exegeten (predikers) hoorden in deze woorden het Paas-evangelie meeklinken (resoneren, assoneren), dat immers ook begint bij het aanbreken van de dag. Nog interessanter dan deze dialoog is eigenlijk die tussen de engel rechts (groen) en de vrouw links (Maria). Maria zegt: Hoc nunc os ex ossibus meis (Gn 2 :23, zie hier: gebeente van mijn gebeente; vrijer vertaald: mijn eigen vlees en bloed ). Dat wil zeggen: Hìj is het ècht. De engel antwoordt met de bekende Maria-hymne en feliciteert haar : Regina caeli laetare (hemelkoningin, verheug u). De vrome vrouwen die deze letter bekeken zullen automatisch de hymne hebben aangevuld:
Regina coeli, laetare, alleluia
Quia quem meruisti portare, alleluia,
Resurrexit, sicut dixit, alleluia,
Ora pro nobis Deum, alleluia.
Hemelkoningin, verheug U, omdat Hij, die gij waardig waart te dragen, is verrezen zoals Hij gezegd heeft. Bid tot God voor ons…
Bijzondere aandacht wil ik nog vragen voor het beeld van een gelovige die, hoewel kleiner dan Maria ‘achter Maria schuilgaat’.

Het is de cantrix zelf: Gisela van Kerssenbrock. Haar naam staat met rode inkt naast haar sluier: Gisle = Gisela in het Latijn. Ik gok: Gisele in de omgang (nog steeds een gewone Duitse meisjesnaam). Aan het eind van deze pagina meer over haar. Zij heeft namelijk de interpretatiesleutel in de hand (de tekst-banderolle die uit haar hand vloeit). Eerst moeten we echter nog even afdalen ad inferos….

Het onderste deel (de doortocht door het dodenrijk)
Ook bij de aankomst van de Heer in het dodenrijk vinden er diverse dialogen plaats. Christus wordt begroet door de ‘ontslapen heiligen’ van weleer. Diverse banderolles voorzien dit gebeuren van gespreksstof, maken het tot een dialoog (liturgisch), een Paasspel (theater).

Links (rood omrand) ziet u een engel die – in Jezus’ naam – iets roept naar de vorst van het dodenrijk (rechts, rood omrand), die daarop antwoordt met een vraag. Als je de tekst probeert te ontcijferen, ontdek je al snel dat het de antifoon is van een van de vroege gebedsstonden van de Paasviering, d.w.z. zinnen uit Psalm 24, over poorten die ‘verhoogd’ moeten worden, want de ‘koning der ere’ (rex gloriae) komt eraan..

De poorten van het dodenrijk
De engel neemt de rol van de voorzanger (cantor, cantrix) op zich: [Officiator] Tollite portas, principes staat er op zijn banderolle: Verhoog/vernietig de poorten, gij vorsten. Daarop antwoordt de vorst van het dodenrijk: Quis est iste rex ? Wie is die koning voor wie dat moet gebeuren? In de oude liturgieboeken staat hier trouwens volgende regie-aanwijzing: Diaconus – in figura diaboli.
De antifoon gaat verder en identificeert de naderende koning: Dominus, rex gloriae, Het is de Heer, de koning der ere. (In de afbeelding staat de zin niet. Wel een andere zin die ik niet ontcijferen kan. Ze begint met ‘Ecce’ (zie) en is gekoppeld aan een baardige man die op Jezus wijst (ziet u zijn ‘te lange wijsvinger?). Dat moet Johannes de Doper zijn. Hij kijkt naar een koning (met kroon – hierboven groen omrand), ongetwijfeld de dichter-koning David. In de liturgie vervolgt het koor [Chorus Animae, de zielen, in de liturgie] met de tekst op de onderste banderolle: Advenisti desiderabilis qu[em expectabamus in tenebris, ut educeres hac nocte vinculatos de claustris. Te nostra vocabunt suspiria, te larga requirebant tormenta. Tu facta es spes desperatis, magna consolatio in tormentis.] Dat is: “Hij is gekomen, de zo gewenste, op wie wij in het duister hebben gewacht opdat hij in deze nacht de geketenden van hun boeien te bevrijden…” Ik heb de tekst van deze banderolle maar aangevuld met wat er volgt in de liturgie. De zusters die het gezongen hebben, zullen de tekst herkend hebben. Ze hebben deze immers enkele uren voordien nog volledig gebeden/gezongen aan het einde van de Paaswake. De “poorten der hel zijn overweldigd ” en Christus strekt zijn hand uit naar zijn counterpart ‘Adam’, de vader van alle mensen.

De banderolle van ADAM
De banderolle die Adam vasthoudt is ook een liturgische/bijbelse tekst: Ecce manus quae pl[asmaverunt me]: “Zie de handen die mij hebben geformeerd.”, een bijbeltekst die zowel in de officie der doden als in de lauden van Pasen worden geciteerd (ze is ‘ongeveer’ terug te vinden in Job (h. 10,8) maar ook in Psalm 119, en trouwens met handen te tasten in het Scheppingsverhaal zelf. De symbolische waarde van de ‘reddende hand’ die de Heiland uitstrekt naar de mens verdient een eigen webpagina. Ze is ook in Bach’s Matthäuspassion actief: Siehet Jesus hat die Hand…. Hier is de symboliek duidelijk: Christus – de tweede Adam – neemt de Mens bij de hand, sleept hem uit de sheol, de hades en zal hem meenemen naar naar het ‘paradijs’. De beweging rondom de Mensenzoon is opwaarts, ten hemel…








